
-
Meest recente berichten
Categorieën
-
Reacties
Taalvrijheid.
Het Frans is een prachtige taal. Elegant. Rokerig. Gewichtig en geil à la fois. Soms benepen, dan weer opzwepend. Ik spreek haar graag want vloeiend. Met Parijse allures en de nodige Antwerpse jàre. Achter deze passie gaat geen mysterie noch een taalbad in Spa schuil. Wel vijf jaar een Frans lief. Twee jaar flaneren in de lichtstad. En vele avonden met Brel.
Maar het Nederlands blijft mijn enige ware liefde. De enige taal die ik echt beheers, die me toelaat met haar woorden te spelen. Ik ken haar door en door, dat schept vertrouwen. Ik hou oprecht van het Nederlands, loop soms intens te genieten van haar klanken, haar subtiliteit, haar woordenschat, vaak zo juist gekozen (fluweel hoort toch gewoon met een fluisterende ‘f’en een zwoele ‘w’ in het midden). Ik vergeef haar zonder moeite haar mindere woorden.
In Parijs kon ik ongegeneerd flirten met het Frans, in Brussel is het meer een geheime minnaar. Hier is taal immers nooit onschuldig. Je bent wat je spreekt. Je kiest eerst je taal en dan pas je woorden. En je eet vooral niet openlijk van twee walletjes.
In deze stad dragen mijn twee favoriete talen een geladen verleden mee, de littekens van een harde strijd. Mijn moedertaal werd hier bespot en verdreven. Vandaag wordt het Nederlands in Brussel wel weer geduld, meer nog, het is een gegeerde taal geworden, zo blijkt uit de overvolle Nederlandstalige scholen en taalcursussen. Maar de wonden zijn nog lang niet geheeld. En af en toe scheuren ze weer open.
Maar ik weiger in hokjes te denken, voor mij geen “wij” en “zij”. Ik breng mijn avonden veel liever door aan de zijde van een Franstalige beau met hersenen en boeiende verhalen dan aan die van een bekrompen, zeurderige Vlaming. Taalvrijheid: spreken met wie je wil. Arrogante Franstaligen die mijn taal beschimpen van weerwoord dienen. Lieve woordjes fluisteren in een Nederlandstalig oor. Ik heb makkelijk praten. Beide talen zijn mij eigen: ik kan kiezen.
Toch erger ik me. Aan het schabouwelijk Nederlands in het gemeenteblad. Aan de ambtenaar die me duidelijk met tegenzin in gebrekkig Nederlands te woord staat. Aan de vrouw in de krantenwinkel die geen “goedemiddag” noch “dank u” over haar lippen krijgt. Aan het lange zoeken en niet vinden van een Nederlandstalige dokter in de buurt. Aan de zoveelste discussie met een Franstalige die “het nut” van Nederlands leren niet inziet. Aan mezelf omdat ik –uit gemakzucht- te snel overschakel op het Frans. Aan de Franstalige verwaandheid, hun kortzichtigheid. Aan Vlamingen die zich al te makkelijk wentelen in een slachtofferrol.
Nederlandstalig zijn in Brussel is immers geen lijdensweg, integendeel. We zijn een minderheid, certes, maar wel een bevoorrechte minderheid: met een gratis stadsblad, een fantastische radiozender, en vooral: een enorm rijk cultureel aanbod. Zoveel optredens, zoveel tentoonstellingen, altijd, overal, van alles en iedereen. Onze theaters voeden zich met de stad die hen omringt. Brussel en Bruxelles lopen steeds vaker in elkaar over tot een bonte mengelmoes. En zo hoort het. Theater dat als spiegel van de samenleving ogen opent en geesten verruimt. Als je je verloren voelt in deze stad, kan je altijd in een Nederlandstalig café schuilen. Ben je in een iets avontuurlijkere bui, dan verlaat je het dorp en ga je vreemd: bij de Portugezen, de Kongolezen, …
Het Frans is in Brussel de voertaal geworden, dat kan niemand ontkennen. Maar 50 % van de bevolking spreekt naast Frans nog een andere taal. Brussel is de stad van Babel geworden. De enige groep die echt bedreigd wordt in deze stad zijn de bewust ééntaligen, zij die halsstarrig hun eigen taal boven die van de ander blijven plaatsen en niet open staan voor uitwisseling, noch échange. Zij die de andere taal nog steeds als quantité négligable of als een bedreiging zien, nooit als een verrijking. Dat ze de stad mogen ontvluchten. Ze zijn Brussel niet waard.
Met getrokken karretjes aan de kassa
Een drukke zaterdag in de Hema. Een lange rij aan de kassa. Iedereen wacht geduldig zijn beurt af. Plots duikt een mooie jonge vrouw op. Ze loopt parmantig de ganse rij voorbij en wendt zich tot de eerste kassa die vrij komt. De winkeljuffrouw trekt onverschillig haar schouders op en rekent af. De vrouw steekt net haar boodschappen weg als het mijn beurt is. En dan komt de preektrees in mij boven: Pourquoi vous faites pas la queue, madame? Een beetje pretentieus, vindt u niet? Voelt u zich beter dan de rest misschien? Vous n’êtes pas toute seule sur terre, vous savez. Ze zocht zelfs niet naar excuses. Gewoon geen zin om in de rij te staan, c’est tout. Ze had wel wat beters te doen.
Ik ga buiten en de kou slaat in mijn gezicht. Onmiddellijk daarna begint het te knagen. Wie ben ik om die vrouw terecht te wijzen? Is mijn handelen niet even pretentieus als het hare? De vrouw dacht vast hetzelfde als ik: “Wie denkt ze wel dat ze is, de stomme trut? Mij zomaar in een volle Hema op de vingers te tikken”.
In Brussel leven meer dan één miljoen mensen samen op 161,78 km² . Lichamen die elkaar elke dag kruisen. Af en toe wordt er een blik of een woord gewisseld. Vreemd dat het niet vaker tot een clash komt. Samenleven in een grote stad berust op honderden onuitgesproken regeltjes. Een poreus evenwicht van sociale afspraken, eigen aan elke tijd en maatschappij. Een ingenieus systeem van geven en nemen. Deze afspraken steunen op wederzijds respect. Wat als iedereen ze plots naast zich neer zou leggen? Als er geen beleefdheidswoordjes meer uitgewisseld zouden worden?
Je gooit je lege colablikje niet gewoon op straat. In een volle trein zet je je tas niet op de lege stoel naast je. Je laat mensen op de metro eerst uitstappen voor je zelf instapt. Je ruimt de drollen op die je hond op straat achterlaat. Je zegt “dank je” en “alsjeblieft”. Je staat je plaats af als een oud vrouwtje op de bus stapt. Je vormt een rij als je aan de kassa wacht.
Mijn hoogstpersoonlijke interpretatie van de sociale afspraken die onze maatschappij recht houden. De vrouw in de Hema deelt mijn mening niet. Zij hecht vast belang aan zaken die ik verwaarloosbaar acht. Misschien ergert zij zich mateloos aan mensen die “jij” zeggen tegen de winkeljuffrouw in plaats van “u”. Aan mensen die te luid spreken op restaurant. Aan het “lawaai” van spelende kinderen.
Hoe leef je samen met anderen in de stad? Mag je mensen berispen als je vindt dat ze zich egocentrisch of respectloos gedragen? Kies je voor de directe confrontatie of slik je je ergernis weg? Ben je onverschillig of juist tolerant als je niet reageert? Ik sta mezelf toe om openlijk het gedrag van een wildvreemde vrouw in vraag te stellen. Maar discussies kunnen ontsporen. Aan de kassa van de Delhaise heb ik mensen elkaar te lijf zien gaan, de ander verwijtend voor te steken. Twee gezinnen met getrokken karretjes tegen over elkaar. Iedereen overtuigd van zijn eigen gelijk.
De wereld vergaat niet als juffrouw X weigert te wachten in de rij. Maar wat als iedereen deze houding aanneemt? De wet van de sterkste aan de kassa. Nooit meer boodschappen doen zonder blauwe plekken. Op de bus zetten steeds meer mensen ostentatief hun tas op de lege plek naast hen. Je weet maar nooit wie er naast je komt zitten.
Ik beken. Ik ben een preektrees. Samenleven in een stad steunt op respect voor je medebewoner. Als mensen –in mijn ogen- fundamentele sociale afspraken negeren, reageer ik. Vanuit een buikgevoel. Zwijgen vind ik dan net iets te makkelijk. Ik ben er dus ergens van overtuigd dat mijn visie op samenleven in de stad “beter” is dan die van de vrouw in de Hema. Dat het moreel gerechtvaardigd is je te ergeren aan mensen die niet in de rij gaan staan, maar verwerpelijk om je druk te maken in het ‘lawaai’ van spelende kinderen.
Politiek engagement houdt in dat je meent keuzes te kunnen maken die het leven van anderen beïnvloeden. Dat je het beter weet. Maar ik mag hopen dat op tijd en stond de twijfel bikkelhard blijft toeslaan. Niemand zo blind als hij die overtuigd is van zijn grote gelijk.
Alleen op de wereld
Dankzij Babbelut, een praatcafé voor anderstaligen die hun Nederlands willen oefenen, leer ik mensen kennen met de meest uiteenlopende achtergronden en origines. Babbelut verlegt mijn grenzen. Ik zit met de ganse wereld aan tafel, van Peru tot Kazachstan.
Babbelut staat open voor iedereen, maar toch vind je er betrekkelijk weinig francophones de souche terug. Wel tal van wereldburgers die staan te trappelen om Nederlands te leren. En niet alleen om hun kansen op de arbeidsmarkt te vergroten. Op Babbelut tref je Marokkaanse moeders aan die willen begrijpen wat hun kind op de (Nederlandstalige) school leert. Roemenen die van het Nederlandstalige cultuurleven in Brussel willen proeven. Kongolezen die Nederlands leren omdat ze vinden het zo hoort: in een tweetalige stad is het niet meer dan normaal dat je beide talen beheerst. Tot slot vind je bij Babbelut ook een hele groep mensen terug die gewoon op zoek is naar menselijk contact, naar een gesprek, naar iemand die luistert, antwoordt, terugkijkt.
Op een avond zat ik met een Iraniër aan tafel. Hij was gevlucht en in het Nederlandstalige opvangcircuit in Brussel terechtgekomen. Ik vroeg hem in welke taal hij zich het meest uitdrukte in zijn dagelijkse leven. Zijn antwoord was onthutsend. Hij sprak simpelweg niet. Zijn leven is taal- en woordenloos. Hij staart de ganse dag naar zijn plafond, loopt de muren op. Hij heeft leren zwijgen. Af en toe komt hij naar Babbelut. Om zijn stem te smeren. Om te kijken of hij nog bestaat.
Eenzaamheid. Achter hoeveel Brusselse deuren vreet het alleen zijn zich gestaag een weg door het gemoed, het heldere denken, tast het de zin nog verder te leven aan? Hoe snel verlies je je verstand als je niemand meer hebt om te antwoorden op je vragen en alleen je eigen stem om naar te luisteren? Hoeveel Brusselaars beschouwen hun tv als hun trouwste kompaan des levens? Tijdens de hittegolf die in 2004 Frankrijk teisterde, werden sommige bejaarden pas weken na hun dood op hun Parijse zolderkamertje teruggevonden. Hun dood was niemand opgevallen. Niemand had hen gemist. De stank van rottend vlees als laatste teken van leven. Geen gruwelijkere dood dan gewoon vergeten te worden. Zou eenzaamheid in Brussel minder slachtoffers maken?
Verenigingen als Babbelut trekken niet alleen anderstaligen aan, maar ook Vlamingen op zoek naar een gesprek, naar mensen om zich heen. Er wordt vaak lacherig gedaan over het lokale verenigingsleven in Brussel. Enkele oude vrouwtjes die samen koffie drinken. Een met uitsterven bedreigde soort. De meeste Vlaamse verenigingen zien hun ledenaantal langzaam slinken. De gemeenschapscentra kunnen op steeds minder vrijwilligers rekenen. Een grootstad als Brussel heeft nochtans nood aan een bloeiend verenigingsleven, aan een open gemeenschapscentrum waar iedereen terecht kan, dat uitwisselingen stimuleert. Op de schouders van de verenigingen en het gemeenschapcentrum rust de zware taak om zich zelf steeds opnieuw uit te vinden, om nieuwe Brusselaars aan te trekken zonder hun oudgedienden te verliezen. Hun welslagen is van cruciaal belang. Om te vermijden dat mensen in de anonimiteit verzinken, zich verschuilen achter zwaar vergrendelde deuren en simpelweg vergeten worden in een stad van één miljoen inwoners.
Tolerant
Op mijn plein loopt een vreemde man rond. Een plein-gek. Helemaal alleen tussen mensen vol plein-vrees. Ik maak steeds een praatje met hem. Hij heet Paul, maar vergeet altijd opnieuw wie ik ben. Hij is regisseur en brengt clowns op de planken. Droevige clowns. “Jij kijkt vanavond toch naar Arté?”, vraagt hij me, “Ze zenden een stuk van mij uit”. Soms praten we met de duiven. Hij kent als geen ander hun verhaal. Hij wijst me op een prachtige zonsondergang als ik de hele dag naar de grond heb gekeken. Hij vraagt “Tu penses que je suis fou ?” En ik antwoord: “Mais non, t’as juste un peu plus de phantasie que les autres”.
Ik land in Brussel na twee weken Kroatië. Erg bevreemdend. Kroatië is nog niet zo lang oorlogsvrij en heeft niet dezelfde immigratiegolven gekend als het oude Europa. Nergens een kleurling te zien. In Warschau of Boekarest is het niet anders. Lelieblank. In Zaventem neem ik de bus tot het Luxemburgplein. Te voet ga ik verder, richting mijn plein. Ik wandel door Matongé, langs het café van Ahmed, langs mijn Italiaanse schoenmaker en de Armeense traiteur, groet de Albanezen van de Volle Gas (en hun typisch Belgisch keuken), de Marokkaanse oude mannen op het bankje, zeg dag tegen Hassan de Pitaman en spring even binnen bij de Kongolees op het gelijkvloers van mijn appartement. Zo fijn weer thuis te zijn.
Ik beschouw mezelf als tolerant. Ik aanvaard mensen die anders zijn. Ik zie ze als gelijken in deze stad. Ik luister naar hun verhaal, koop hun brood. Maar hoe ver gaat mijn begrip?
Ik dweep graag met de multiculturele samenleving. Met het grote aanbod aan Portugese en Griekse restaurants, de verrijkende uitwisselingen, het gevarieerde culturele aanbod, … De softe versie van multiculturalisme dus. Zonder scherpe kantjes. Een beetje zoals pro Europa zijn omdat je tegen oorlog bent en van je Erasmusjaar genoten hebt.
Mijn tolerantie kent grenzen. Ik hou niet zo van cultuur als excuustruus, als dekmantel voor onrecht tegen vrouwen bijvoorbeeld. Ik word behoorlijk ongemakkelijk van cafés waarin alleen mannen zitten; van orthodoxe joden die vrouwen de hand weigeren te schudden omdat ze “onrein” zijn. Twijfel of de meerderheid van de meisjes die een hoofddoekt draagt dit nu echt zélf zo graag wil. Duld het niet op straat voor hoer uitgescholden te worden. Vind vrouwenbesnijdenis een misdaad en geen “culturele traditie”.
De universele rechten van de mens komen altijd op de eerste plaats. Hoe typisch “westers” deze rechten ook mogen zijn. Dit handvest is een mijlpaal in onze geschiedenis, gevoed door een verlichtingsgeest die eigen is aan de Westerse samenleving, maar daarom niet minder universeel in haar ambitie. Ik beweer niet dat onze samenleving ‘beter’ is dan een andere, maar ben niet bereid enkele van onze (recent verworven) basisrechten zomaar over boord te gooien uit angst een andere “cultuur” tegen de schenen te stampen: scheiding van kerk en staat bijvoorbeeld, de rechtstaat, gelijkheid van man en vrouw, …. Deze principes zijn me meer waard dan een imago van politiek correcte gauchiste.
Nieuwelingen (ook de Europeanen) moeten snel Nederlands of Frans leren. Maar leer ze a.u.b niet de Brabançonne zingen en al zeker niet de Vlaamse leeuw. Er moet hard opgetreden worden tegen de kleine minderheid jonge boefjes die het imago van een ganse groep besmeurt. Maar zorg er ook voor dat de massa jonge werklozen een gepaste opleiding en later een job te pakken krijgen. Vecht tegen discriminatie op de arbeidsmarkt.
Er bestaat geen “zij” en “wij”. Religieuze fundamentalisten allerhande vinden elkaar in hun strijd tegen homo-adoptie. Het misplaatst moreel superioriteitsgevoel als bindmiddel tussen godsdiensten. Ik verzet me tegen elke veralgemening, tegen hokjesdenken, maar weiger ook de ogen te sluiten voor wat er mis loopt. Brussel kent samenlevingsproblemen en die zullen niet verdwijnen door ze dood te zwijgen uit angst in de kaart van extreem rechts te spelen. Wel door na te denken over hoe het nu verder moet, door andere oplossingen aan te bieden dan zij die er baat bij hebben de haat tussen “zij” en “wij” te voeden. Onze oplossingen zullen nooit eenduidig zijn en niet makkelijk uit te leggen. Ze vragen grote inspanningen op verschillende terreinen, van alle kanten. “Naïef” zegt u? Juste un peu plus de phantasie que les autres.
Bruxelles capitale, Paris province
Brussel als hoofdstad van Europa
(…), het is mijn plan, mijn nieuw plan voor Brussel als hoofdstad, hoofdstad van Europa. Komaan, Brussel! Sta op! Word de hoofdstad van de wereld en moge Parijs in uw ogen niet meer zijn dan een provinciestad.” (Citaat uit “Bruxelles capitale, Paris Province” geschreven door Antoine Wiertz in 1840).
Deze profetische woorden kan je lezen in de inkomhal van het Wiertzmuseum, slechts enkele stappen verwijderd van het Europees Parlement. Vandaag wordt Brussel inderdaad beschouwd als de hoofdstad van Europa, maar Wiertz zou grote ogen trekken als hij nu in zijn wijk zou rondlopen.
Europa heeft immers een onuitwisbare stempel gedrukt op Brussel. Een ganse woonwijk werd platgewalst. Bewoners verjaagd met koude, hoge kantoortorens. Het beeld dat de modale Brusselaar van zijn Europese medeburger heeft is niet fraai. Een bende eurocraten zonder voeling met de realiteit. Ze verdienen fortuinen. En betalen geen belastingen. Klitten samen in villawijken. Jagen de woonprijzen de hoogte in … Over de Europese ambtenaren doen heel wat clichés de ronde. In vooroordelen zit vaak een grond van waarheid. Tegelijk doen ze de waarheid geweld aan.
De Europese wijk heeft zich als een woekerend gezwel in een dichtbevolkte, centraal gelegen wijk van de stad verspreid omdat België, Brussel en haar vele politici, dit zonder morren toegelaten hebben. Ook de Europese instellingen zelf stelden zich geen vragen bij hun plaats in de stad. Daar komt nu stilaan verandering in, maar de stad is blijvend getekend door enkele decennia van wanbeleid en een totaal gebrek aan stedenbouwkundige visie.
Europese ambtenaren hebben inderdaad de neiging zich in hun eigen clubs op te sluiten en samen te hokken in welbepaalde Brusselse wijken. Ze richten eigen crèches, eigen scholen en binnenkort ook eigen bejaardenhuizen op, waar andere Brusselaars niet welkom zijn.
Dit wekt terecht heel wat wrevel op. Maar de vestiging van de Europese instellingen in Brussel heeft de stad ook heel wat opgebracht. In haar kielzog hebben honderden nevenorganisaties zich in Brussel gevestigd en werden er heel wat nieuwe jobs gecreëerd. Europa is verantwoordelijk voor 10 % van het Brusselse BRP. De stad werd geprikkeld met nieuwe culturele invloeden. Brussel vervangt steeds vaker Europa in de buitenlandse volksmond. Brussel overstijgt België.
Ik werk bij het Verbindingsbureau Brussel-Europa. Een van de taken van het Bureau bestaat erin de integratie van de Europeanen in Brussel te bevorderen. We proberen de Europeanen te stimuleren om uit hun beschermde milieu te treden, om zich in te schrijven in een Brusselse sportclub, hun kinderen naar een Brusselse school te sturen, actief te worden bij een wijkcomité, te stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen… kortweg: om Brusselaar te worden. Omdat ze nu eenmaal deel uit maken van deze stad. Omdat ze er zelf nood aan hebben zich ergens thuis te voelen, wortel te schieten. En omdat Brussel ze nodig heeft.
Brussel is de hoofdstad van België, maar de Belgische politici laten de stad vaak links liggen. Het ontbreekt onze politieke elite dan ook een globale toekomstvisie voor Brussel. Ze concentreren zich vaak op hun lokale thuisbasis en verwaarlozen de positie van de hoofdstad. Daarom heeft Brussel haar Europeanen meer dan nodig: om mee na te denken over de evolutie van deze stad, om haar te voeden met nieuwe ideeën. In de Europeanen schuilt een enorm potentieel. Ze zijn vaak hoogopgeleid, meertalig en brengen visies en ervaringen mee uit alle steden van Europa. Ze kunnen en moeten een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van de stad.
Brussel zou de eerste echte multiculturele stad van Europa kunnen worden. Iedereen kan zich de stad toe-eigenen. Brussel duwt haar nieuwe bewoners geen pakketje aanpassingseisen door de strot. De Brusselse eigenheid wordt immers gevormd door honderden subculturen. Brussel heeft geen strak omlijnd kader, geen verankerd profiel, haar identiteit wordt gevoed door mensen uit alle uithoeken van de wereld, die steeds komen en gaan. Een schizofrene stad. Ondefinieerbaar. Je voelt je er dan ook onmiddellijk thuis, als vreemdeling tussen de vreemdelingen.
De Europese ambtenaren moeten hun verantwoordelijkheid opnemen. Deelnemen aan het lokale leven, zich verspreiden over verschillende wijken in de stad, de poorten van hun scholen openzetten, een groter deel van hun belastingen aan België en niet aan Europa afdragen (vandaag betalen ze alleen de gewestbelasting; sociale en fiscale lasten dragen ze af aan Europa). En de andere Brusselaars, Belgen, Europeanen (want ze werken heus niet allemaal voor de EU), niet-Europeanen, moeten inzien dat de Europese ambtenaren een meerwaarde voor de stad kunnen betekenen.
“Komaan, Brussel! Sta op! Word de hoofdstad van de wereld en moge Parijs in uw ogen niet meer zijn dan een provinciestad.”
Geplaatst in Oudere teksten
Een reactie plaatsen
Stadsmeisje
In de zomer van 1999 reisde ik met een vriendin door Marokko. Twee grote blonde meisjes zonder al te veel reiservaring, maar oh zo tolerant en multicultureel. Twee weken en honderden al te gretige handen later konden we geen man meer zien. In Marrakesh sliepen we, zoals in alle steden, op het platte dak van een hotel. En toen zag ik hem. Mijn Fransman. De eerste en enige coup de foudre uit mijn leven. Hij had net twee weken door het Toebkalgebergte getrokken en stonk naar ezel. Ik had het kunnen weten.
“Wat handig, ik ben net de kippen aan het slachten, ze kan helpen met de beestjes te pluimen”. Mijn liefde vertelt aan zijn oma dat hij zijn nieuwe vriendin heeft meegebracht om haar voor te stellen aan zijn ouders. Grote stilte aan de telefoon. De nieuwe vriendin pluimt geen kippen. De nieuwe vriendin is een stadsmeisje.
Het Normandische platteland. Ik had geen idee. Koeien en appelbomen. Uitgestrekte velden. In de verste verte geen stad de naam waardig te ontdekken. Mijn “schoonouders” stonden elke dag om 6 uur ’s ochtends op. Er was immers altijd werk. En hoe groot mijn drang ook was hen te behagen, dat ontwaken bij het krieken van de dag, dat kon ik echt niet opbrengen. Soms, op een luie zondag, bleven hun zoon en ik wel eens tot 9 uur in bed liggen. Een rebelse daad onder de verderfelijke invloed van een stadsmeisje. In september werden alle krachten gebundeld om de cider voor het volgende jaar te brouwen. Zijn grootouders behoorden zelfs nog tot de laatste overlevenden die hun eigen calvados mochten maken. En na elke maaltijd werd de camenbert bovengehaald. Globalisme heeft geen effect op de Franse plattelandskeuken. Je moet daar niet plots met feta aanzetten. Het leven is zo al dol genoeg.
In zijn moeders wereldbeeld bestonden er twee soorten mensen: de intellectuelen (het hoofd) en de manuelen (de handen). Ik was de ultieme bevestiging van haar theorie: een in het huishouden volledig waardeloos meisje dat prima resultaten op school behaalde. Vijf jaar lang heb ik haar in de waan gelaten dat ik geen rijbewijs had. Kwestie van haar wereldbeeld niet onderste boven te halen. Meisjes zoals ik, die konden niet rijden, dat hoorde zo. Zolang ze me maar niet opdroeg een konijn te vellen of sokken te stoppen, vond ik het allemaal best.
Haar man had haar voor haar verjaardag een elektrisch vleesmes cadeau gedaan en Blandine was daar erg blij mee. Een half uur lang had ze me uitvoerig uit de doeken gedaan tot welke uitmuntende snijprestaties dit mes in staat was. Ik had braaf geluisterd en geknikt. In de auto gilde ik verontwaardigd in het oor van mijn lief: “Ze was er blij mee!!! Met een elektrisch vleesmes. Dat kan toch niet, dat hoort niet, dat mag niet!” Dit gesprek hadden hij en ik al duizenden keren gevoerd. Het ging over zijn plattelandsvrienden. Ik vond ze meestal saai, burgerlijk en verstoken van elke vorm van emancipatie. Hij vond me kortzichtig en bekrompen. Hij verweet me dat ik me alleen maar omringde met gelijkgezinden (lees: gecultiveerde stedelingen), dat ik neerkeek op mensen met andere interesses en levensstijlen. “En bovendien”, voegde hij er dan steeds aan toe, “zijn ze waarschijnlijk gelukkiger dan jij want makkelijker tevreden met minder”.
Opgroeien op het Normandische platteland laat zijn sporen na. Het had van mijn lief een natuurmens gemaakt. Hij kende alle planten, vogels en insecten bij naam. Dwaalde ganse dagen door het druilerige bos en kwam ’s avonds terug met zijn schatten: champignons, takken, dierenskeletten. Keek louter en alleen naar natuurdocumentaires. Verafschuwde de stad, haar drukte, haar schone schijn, haar gebrek aan authenticiteit. Het ijle zoeken naar hip en trendy. De behaagzucht. De zelfgenoegzame oppervlakkigheid.
Om professionele redenen woonde hij in Parijs. De ultieme stad. Zijn hel. Mijn paradijs. Om het leven draaglijk te maken trok hij elke vakantie de wilde natuur in, bij voorkeur in het hoge noorden met een verliefd stadsmeisje aan zijn zijde. Zo voeren we samen per kano op Canadese meren, doorkruisten we het Roemeense Retezatgebergte, daalden we drie rivieren af in Polen, klommen we langs Ierse kliffen, en trokken we drie weken door het desolate Lapland.
Naast de wilde natuur, kende mijn liefde nog een andere passie: fysieke afmatting. Je lichaam tot het uiterste drijven. Hij speelde rugby op een hoog niveau. En ook onze vakanties waren gericht op Spartaans afzien. Een rugzak met het hoogst noodzakelijk (wat kleding, gedroogd voedsel, tent en één boek voor mij). Back to the roots. Je lichaam ontgiften. Je weerstand verhogen.
Ik heb nachten niet geslapen van de kou. Dagen lang door regen en wind mijn rugzak de berg opgesleept. Als een krankzinnige gekrijst na de zoveelste muggenaanval. Stiekem eten gepikt uit onze voorraad omdat de honger zo knaagde. ’s Nachts de tent moeten verplaatsen omdat ze tijdens een heftige stortbui onder water liep. En altijd weer die sussende woorden: « Ma chérie, il faut accepter les élements de la nature ».
En toch heb ik nog geen seconde spijt gehad van die waanzinnige reizen. Levenservaring heet dat. Het poppemieke van weleer is veel van haar streken verloren. Maar het is in hart en nieren een stadsmeisje gebleven. Ik hou nog steeds hartstochtelijk van alles wat hij verafschuwde: de stad en haar behaaglijke weelde.
Vandaag doe ik wat ik wil. Ik ben van stad gewisseld en geniet mateloos van alles wat Brussel te bieden heeft. Ik loop voortdurend haar bewoners te begluren (vanuit mijn raam, op de tram) en als het regent, schuil ik gewoon. De stad: het ideale speelterrein voor rusteloze meisjes die wellicht nooit tevreden zullen zijn met een elektrisch vleesmes.
Geplaatst in Oudere teksten
Een reactie plaatsen
