
-
Meest recente berichten
Categorieën
-
Reacties
De Kerstmarkt staat er weer. Reuzenrad, schaatspiste, kraampjes, massa’s vrolijke mensen. Loop je verder richting Handelskaai, dan toont het parkje je een heel ander beeld van Brussel. Op vijftig meter van het feestgeruis: mensen die slapen op een stuk karton in de kou.
Het is even schrikken: de Grote Markt die helemaal vol geparkeerd staat met auto’s. Vandaag lijkt het ondenkbaar, maar vroeger was dit een alledaags beeld. Ik moest aan deze foto denken toen ik enkele handelaars van de Vismarkt hoorde klagen dat ze door de heraanlag van het plein klanten vrezen te verliezen. Die heraanleg was broodnodig: de voetpaden waren super smal en in zeer slechte staat, het wegdek een mijnenveld van losse kasseien. Eén grote ellende voor voetgangers en fietsers. En nu er eindelijk beterschap op komst is, zeurt men. Want er zullen enkele parkeerplaatsen verdwijnen.
Ik ben hip. Ik fiets. Naar het werk, naar de winkel, naar café. En fietsen in Brussel is hipper dan ooit. Zo las ik in de krant dat het aantal fietsers in één jaar tijd met de helft is gestegen. Ook het merendeel van mijn vrienden heeft geen auto. Nergens voor nodig. Alleen maar tijd- en geldverspilling. Als je in de stad leeft, werkt een auto vaak verlammend. Je bent mobieler met de fiets. Ik beken, mijn lofzang op de fiets is niet volledig onschuldig. Ik rij namelijk niet graag met de auto. Nooit zit ik eens ontspannen achter het stuur. Het besef dat ik bij de minste onoplettendheid een kind van de baan kan graaien, verlamt me. En ook parkeren zorgt steeds voor de nodige stress. De ganse cultus rond auto’s gaat trouwens volledig aan me voorbij. Auto’s onderscheid ik louter en alleen op basis van hun kleur. Geen reden tot extase dus bij het aanschouwen van de nieuwste modellen. Maar mijn passie voor de fiets wordt niet alleen gevoed door mijn wantrouwen jegens auto’s.
Op een ochtend strompelde ik, geeuwend, de trap van mijn werk op. Een vrouw van een jaar of 50 sprak me aan. Ze organiseerde samen met enkele “gezelinnen” een reeks culturele activiteiten rond “vrouw zijn”, die o.a. plaatsvonden in het theater onder mijn bureau. Of ik wel kan lopen op die hoge hakken? En of ik het niet erg vond me als een objet sexuel te gedragen? Daar sta je dan, onvoorbereid, nog slaapdronken. “Maar ik ben een objet sexuel, mevrouw. Ik hoop het toch, soms…” En weg was ik. De ochtendnevel in mijn hoofd klaarde terstond op.